You are here: Home Metamorfosen Inleiding
Document Actions

Inleiding

Eddy de Jongh
Gedaantewisselingen en andere verdichtsels

‘In nova fert animus mutatas fingere formas corpora’
(Mijn geest zet mij ertoe aan veranderde vormen te tekenen)
vrij naar Ovidius, Metamorfosen, I, vs. 1
   
Superlatieven gaan vaak gepaard met lucht maar soms raken ze de waarheid. Een gelukkige toepassing van de overtreffende trap vinden we in de volgende uitspraak: ‘De beste vogeltekenaar van Nederland was Peter Vos. En eigenlijk was hij de beste Nederlandse tekenaar van de vorige eeuw, dus niet alleen van vogels’. Het is Siegfried Woldhek, een vooraanstaand collega van Vos, die hier aan het woord is. 1 Zijn oordeel valt van harte te onderschrijven, mits de tijdsaanduiding ‘vorige eeuw’ wordt verlengd met de eerste jaren van de nieuwe eeuw, jaren die vooral vruchtbaar waren voor de verbeelding van Ovidiaanse fabels.
     Over de door Vos getekende metamorfosen naar Ovidius, in het bijzonder díe  waarin een vogel de slotfase belichaamt, gaat een belangrijk deel van dit boek. Daarnaast draait het om afzonderlijke figuren uit de klassieke mythologie, alsook om ‘iconografische overloop’, voorstellingen die niet op Ovidius zijn gebaseerd, maar desondanks een zeker Ovidiaans karakter dragen of een suggestie van gedaantewisseling vertonen. Als laatste categorie onderscheiden we een groep tekeningen die gekenmerkt wordt door wat we persoonlijke mythologie kunnen noemen.


afb. 1
Van jongs af aan is Vos nagenoeg dagelijks met tekenen in de weer geweest. ‘Tekenen is zijn verbazing formuleren’, schreef hij in 1959 bij wijze van mini-poetica onder een in een spiegel weergegeven zelfportret waarvan de gelaatsuitdrukking die verbazing doeltreffend reflecteert (afb. 1). Hij bezat wat in de achttiende eeuw in biologische sfeer wel ‘Bildungstrieb’ werd genoemd, een onstuitbare drang tot scheppen, een drang die van binnen uit kwam en in zijn vroege jaren door zijn vader met nogal wat pressie complementair werd aangemoedigd (afb. 2 en 3). 2 De vruchten zouden talrijk en gevarieerd zijn.



afb. 2

afb. 3

 









Aan oorspronkelijkheid en inventiviteit heeft het Vos nooit ontbroken. Dat neemt niet weg dat hij in kunsthistorisch perspectief een plaats inneemt in een zekere relatie tot andere kunstenaars. Hij had daar zijn eigen inzichten over en beschouwde zichzelf, zij het als ‘een achtergebleven neefje’, als lid van een oude familie, waartoe hij onder anderen de tekenaars Pisanello, Dürer, Urs Graf, Doré en Picasso rekende. 3    
     Met droge naalden en litho’s manifesteerde hij zich van tijd tot tijd als graficus, maar hij was bovenal tekenaar, met potlood, pen en penseel als werktuigen, met de daarbij behorende Oost-Indische en Chinese inkt en Venetiaans rood als kleurmiddelen, en later ook het hele palet van kleuren in aquarel. 4 Tekeningen van Vos zijn doorgaans gemakkelijk als zodanig te herkennen, ze hebben een zeer persoonlijk karakter. Toch kan er niet van één enkele tekentrant worden gesproken, omdat hij zich bediende van verschillende uitdrukkingsvormen en daarvoor verschillende bouwstenen koos, samenhangend met wat hij voor een bepaald onderwerp de geschikte techniek achtte. Figuren kunnen gevangen zijn in weloverwogen, ‘natuurlijke’ contouren, maar evengoed in losse, grillige, meer suggererende contouren, en nader gedefinieerd door middel van korte streepjes, dan wel lange lijnen, met schilderachtige wassingen en met vrije of parallelarcering. Arcering is de muziek van je tekening, zei de kunstenaar ooit. Waaraan hij toevoegde: Alleen kruisarceringen, die maak ik [ … ] bijna nooit. Het wordt bij mij zo gauw kippegaas …’ 5
     In het algemeen koesterde Vos een voorkeur voor een, zoals hij dat zelf noemde, ‘spichtige lijn’. Om zo dun mogelijk voor de dag te komen gebruikte hij vaak zijn vulpen met de punt omgekeerd, en daarnaast spitse tekenpennen, aanvankelijk de graphos-pen en sinds halverwege de jaren tachtig de uiterst fijne Rotring-pen *18. Deze materiële subtiliteit herinnert aan de door Plinius beschreven legende over de fameuze Griekse schilders Apelles en Protogenes die elkaar naar de kroon staken in het zetten van een steeds fijnere lijn. Aan een dun verfspoor als getuigenis van eminent kunstenaarschap, hoe dunner hoe eminenter, werd kennelijk groot gewicht toegekend. Als uitdrukking van artistieke wedijver duikt deze legende ook geregeld op in de kunstliteratuur van de vroegmoderne tijd. 6
     Van vrij werk kunnen de meeste tekenaars niet leven, daarom worden ze vaak gedwongen hun toevlucht te zoeken in het tekenen voor een krant of in het maken van boekillustraties, in opdracht van een uitgever. Peter Vos was geen uitzondering, hij deed beide. Vijfenveertig jaar werkte hij voor het weekblad Vrij Nederland, en daarnaast illustreerde hij een grote hoeveelheid boeken, zowel voor volwassenen als voor kinderen. Bekend bij een groot publiek zijn de Sprookjes van de Lage Landen. Bekendheid verwierf hij ook door zijn geestige Beestenkwartet uit 1970. Niet dat hij de klem van een opdracht altijd met gelatenheid onderging. Toen hij op een kwaad moment in de knoop raakte met een aangenomen bestelling doordat het resultaat hem in ‘t geheel niet beviel, sprak hij zichzelf in zijn dagboek als volgt toe: Misschien dat je daarom zo de pest hebt aan opdrachtwerk. Deze spanningen voel je aankomen. Ze zijn logisch als december na november: onvermijdelijk. Als je voor jezelf werkt, zie je niet tegen moeite op. Begint overnieuw iedere keer als je dat nodig vindt, want je wilt toch iets definiëren? Aan het einde van de tekening sta je zelf te wachten als opdrachtgever en daar hoef je niet bang voor te zijn, want jullie hebben precies dezelfde smaak. Maar bij dit soort betaalde geknoei, waar heren op zitten te wachten (‘Zo, laat U maar eens kijken, wat U ervan gemaakt heeft …’) krijg je zeker en vast die dieptepunten … 7


afb. 4
Een belangrijk deel van het oeuvre bestaat uit niet verhalende onderwerpen. Vele duizenden vogels zijn door Vos op papier gezet, in een stijl die zowel naturalistisch als persoonlijk moet worden genoemd, een geraffineerde alliage die geheel overtuigend aandoet maar zich als zodanig moeilijk laat beschrijven. Wat echter wél kan worden opgemerkt is dat hij vogels in de regel meer als individuen weergaf dan als vertegenwoordigers van een soort, meer portretmatig dan als koele registratie (afb. 4). Zijn waarnemingsvermogen en kennis van alles dat zich op vleugels voortbeweegt viel in elk geval moeilijk te overschatten. 8



afb. 5a

afb. 5b
Vos was echter ook een onvermoeibare fabrikant van visuele verdichtingen. Behalve vogels die vanwege hun accuratesse in elk opzicht de toets der ornithologie kunnen doorstaan, tekende hij vogels die voor een deel het stempel van de natuur dragen maar voor een ander deel aan zijn fantasie zijn ontsproten. Vogels bleken verder bruikbaar bij arciboldeske constructies, getuige een van de twee gestileerde dansers die hij in december 1965 paginagroot in Hollands maandblad publiceerde (afb. 5a). De tweede danser, een niet minder treffende uiting van visuele fictie, bestaat uit een structuur van kooien voor de vogels van de pendantfiguur (afb. 5b). 9 Beide figuren zijn kenmerkend voor de sterke neiging tot vormverandering die in Vos’ gehele carrière werkzaam zou blijven en allerlei verrassende wezens zou opleveren, veelal hybriden.
      Niet alleen mensen en dieren kregen vaak afwijkende, buitenissige gedaanten toegemeten, ook voor minder voor de hand liggende fenomenen wist Vos ingenieuze alternatieven te bedenken. Zelfs – om twee uiteenlopende voorbeelden te noemen – voor menselijke geaardheden en voor rijmschema’s. Zo verborg hij de vier temperamenten onder kleurige lappen textiel (afb. 6), en toonde hij aan dat balladen, rondelen, sonnetten, terzinen en kwatrijnen waar het om de communicatieve functie gaat, evengoed met uilen of eksters als met woorden geschreven kunnen worden. 10


afb. 6
Dit brengt ons bij poëzie in het algemeen en het belang dat Vos daaraan hechtte. Poëzie fungeerde voor hem als een stimulans en inspiratiebron. 11  Geliefde gedichten van onder anderen Shakespeare, John Donne, Calderón, Garcia Lorca, Borges, en Rimbaud schreef hij in zijn bijna kalligrafische handschrift over in een dummy (een boek met blanco pagina’s), om ze vervolgens uit zijn hoofd te leren. Hij bezat de zeldzame vaardigheid om een onafzienbare hoeveelheid gedichten in zijn geheugen op te slaan, gedichten in verschillende talen die hij als een mannelijke Mnemosyne op elk willekeurig moment feilloos wist voor te dragen. 12 Dat bijvoorbeeld Rimbauds Le bateau ivre tot de favorieten van Vos behoorde – zelfs dit honderdregelige gedicht kende hij van buiten – moet te maken hebben gehad met de aansprekende picturale weelde die de dichter met zijn woordkeus wist op te roepen.
     Welbeschouwd was voor Vos een oud renaissancistisch ideaal – cliché mag het ook worden genoemd – geheel geldig gebleven: het interactieve zusterschap van beeldende kunst en dichtkunst (of literatuur), dat destijds onder meer werd geafficheerd met drie woorden afkomstig uit Horatius’ invloedrijke Ars poetica. De trits waar het om gaat, luidt ut pictura poesis, ‘een gedicht is een soort schilderij’, maar in de Renaissance en in de periode daarna werd de betekenis  vaak opgevat als ‘een schilderij is als een gedicht’. 13
     In datzelfde leerdicht, dat tot ver in de moderne tijd belangstelling heeft gewekt, gunt Horatius kunstenaars een zekere artistieke vrijheid, maar hij spoort hen bovenal aan de grenzen van de natuur terdege in acht te nemen. Het is onmiddellijk duidelijk dat Vos in zijn betoon van artistieke vrijheid die grenzen menigmaal heeft overschreden en niet bepaald een vrome Horatiaan kan worden genoemd. De eerste, berispend bedoelde, regels van Horatius’ poëtisch betoog hadden over zijn werk kunnen gaan: 14

Een mensenhoofd geschilderd op een paardennek,
een verenpracht aan ledematen vastgeplakt
van elke soort, zodat een vrouw van boven mooi,
beneden uitloopt in een grauwe vissenstaart:
vrienden, wie lacht er niet wanneer hij dat bekijkt?

 


afb. 7

afb. 8

afb. 9



    

Van zulke gewraakte voorstellingen – ‘beelden irreëel als koortsdromen’, volgens Horatius – heeft Vos er talloze geconcipieerd (afb. 7, 8, 9). Hij gaf dan ook beduidend minder om de strenge regels van deze dichter dan om de poëzie van diens tijdgenoot Ovidius, in het bijzonder de Metamorfosen waarmee hij zich tijdens
 zijn gymnasiumtijd intensief had beziggehouden en waardoor hij zijn leven lang gefascineerd zou blijven – een fascinatie die op latere leeftijd nog zou leiden tot een ware explosie van tekeningen naar Ovidius. 15 Een belangrijke bron was ook de minutieuze studie van Robert Graves, The Greek myths. De twee delen van Graves, waarin veel alternatieve interpretaties van de mythen zijn opgenomen, werden door Vos met regelmaat geraadpleegd, onder meer wanneer hij behoefte had aan bepaalde aanvullingen op Ovidius. 16
     Toch heeft het uitbeelden van de eigenlijke – op Ovidius gebaseerde – metamorfosen nog geruime tijd op zich laten wachten. Als we zijn uitgebreide oeuvre proberen te overzien, dan valt het op dat Vos uit het arsenaal van de mythologie aanvankelijk overwegend figuren en hybriden heeft gekozen die van gedaanteverandering verstoken zijn gebleven. Centaurs, minotauri, cyclopen, harpijen, gevleugelde paarden en griffioenen paraderen of krioelen in vele schetsboeken uit de vroege jaren. Ze dienden vooral als oefenmateriaal. Als ex-leerling van een academie met een traditioneel curriculum was Vos ervan overtuigd dat oefenen een min of meer dagelijkse verplichting was, geheel volgens het antieke dictum ‘Nulla dies sine linea’, geen dag zonder lijn. Na zijn academietijd zou hij die overtuiging bestendigen.
     Oefenmateriaal dus, maar natuurlijk – bij een versatiele geest is dat onvermijdelijk – ontstond er ook vertelling, ontstond dramatiek, waarbij de afzonderlijke mythologische figuren in actie kwamen, met elkaar of tegen elkaar of tegen anderen. Fabeldieren die ‘van nature’ al uit antropomorfe onderdelen bestonden, zoals de harpij, de centaur en de minotaurus, konden desnoods met extra menselijke dan wel met extra dierlijke trekken worden begiftigd, zowel ten goede als ten kwade. Het lag er maar aan of de zon voor hem scheen en hoe de tekenaar het spel met hybriditeit wenste te spelen.


afb. 10-1

afb. 10-2

afb. 10-3

afb. 10-4














afb. 12

afb. 13










Vos’ geregelde medewerking, vanaf de late jaren vijftig, aan Hollands Weekblad, daarna Hollands Maandblad, moet een stimulans zijn geweest voor het verhalende element in zijn werk. Gaandeweg kwamen bepaalde thema’s tot stand, waaronder een onderwerp dat door de tekenaar werd betiteld als ‘mythentuin’ of ‘mythologische dierentuin’ (afb. 10, 12, 13). Omdat de fabeldieren hier in hokken zijn opgesloten, is hun beweeglijkheid minder, wat drama soms niet uitsloot. 17



afb. 11
Een mythentuin maakte Vos soms ook van Artis, de dierentuin waar hij meestal heenging om vogels te tekenen in naturalistische trant. Op een litho uit omstreeks 1976, waarin een zekere mate van drama werd samengebald in persoonlijke symboliek, treffen we de tekenaar aan met zijn zoon Sander, toen ongeveer acht jaar oud, gesitueerd naast een kooi met twee griffioenen – werkelijkheid en fantasie aan weerszijden van de tralies. Vos staat met zijn rug naar de kooi, Sander houdt een tekenboek vast (afb. 11). Op het voor hem bestemde exemplaar zijn de woorden ‘Voor Sander, mijn collega Artistekenaar’ geschreven. 18

Zoals gezegd, aan de eigenlijke ovidiaanse metamorfose, als een zich in fasen voltrekkende gebeurtenis, heeft Vos zich pas in latere perioden van zijn carrière gewaagd. Figuren werden aanvankelijk overwegend als op zichzelf staand ten tonele gevoerd, om decennia later, vanaf ongeveer 1982, een rol te spelen in een volledig proces van gedaanteverandering. ‘Volledig’ impliceert hier uiteraard samengevat in een aantal stappen. De grote eruptie zou in 2003 volgen, toen Vos volgens programmatische lijnen vele schetsen en tekeningen maakte van de metamorfosen van Zeus, Philomela, Ascalaphus, Nisus, Tereus, Antigone, Ceyx, de Piëriden ofwel de dochters van Piëros, de zusters van Meleager en diverse andere personages [zie TH onder de namen] uit het boek van Ovidius. 19
     Zijn affiniteit met de Metamorfosen lijkt deels een verklaring te vinden in de ironie en geestigheid en het poëticaal non-conformisme waarmee de antieke auteur zich had onderscheiden. 20 Het waren eigenschappen die hij zelf eveneens bezat. Hoewel zijn belangstelling voor de door Ovidius beschreven wonderlijke gebeurtenissen naar eigen zeggen niet minder voortvloeide uit zijn katholieke achtergrond en de vertrouwdheid die dit inhield met wonderen verricht door heiligen. 21 In een vraaggesprek zei hij hier aanvullend nog het volgende over: Je hebt het gewoon leren vinden dat ideeën worden getekend, worden geschilderd, worden gebeeldhouwd. In een protestantse kerk wordt alleen uit de bijbel voorgelezen en dat is dus een woordkunst. Bij ons is het veel leuker. Ons? Bin ich nicht katholisch, bin ich doch stolz. Ja, het ís heidendom, dus het sluit inderdaad meer aan bij de Romeinen dan die rare Luther. 22

Het illustreren van de Metamorfosen kent een lange traditie die teruggaat tot de Middeleeuwen, toen er over de heidense Ovidius niet altijd onverdeeld gunstig werd geoordeeld. Hoewel menig lid van de clerus zei of voorgaf aanstoot te nemen aan diens frivoliteiten, leidde dit niet tot censuur, maar tot het ontstaan van de zogenaamde Ovide moralisé, een verbluffende literaire kunstgreep waarmee christelijke waarden gered en gegarandeerd konden worden. 23 Van zulke gemoraliseerde bewerkingen verscheen een groot aantal. De laat-middeleeuwse lezer kreeg zelfs Ovidiaanse figuren voorgeschoteld die werden opgevat als Christus, Maria of andere bijbelse personen. 24 Ook in later tijd werd het verstandig geacht om Ovidius tenminste met een zedelijk getinte verantwoording op de markt te brengen. Vondel die in 1671 zijn geïllustreerde Publius Ovidius Nasoos Herscheppinge liet verschijnen, presenteerde haar in zijn inleiding met nadruk als bron van verborgen wijsheden. 25
     Het is goed om iets van deze achtergrond te weten, al is het maar omdat we niets van dit alles bij Vos aantreffen. En nergens anders dan bij hem vinden we gedaantewisselingen met een burlesk accent, nergens anders ook zo’n uitgesproken voorkeur voor metamorfosen die in vogels eindigen. Zijn keus om de door Ovidius beschreven mutaties beeldend te lijf te gaan, mag misschien traditioneel zijn, de intentie waarmee en de stijl waarin dit gebeurde, waren zeker niet traditioneel. Daar komt bij dat geen van de door Vos getekende metamorfosen ooit eerder in beeld waren gebracht, behalve die van Tereus en Ascalaphus, en deze dan nog maar uiterst zelden. De kunstenaar betrad dus grotendeels onbekend terrein. Wat betekent dat hij de tekst van Ovidius nauwgezet heeft moeten bestuderen en zich grondig zal hebben verdiept (of opnieuw verdiept) in de fysionomie van de hop, de ijsvogel, de ooievaar, de ekster en het parelhoen, en eveneens in die van verschillende soorten uilen, voorheen allemaal mensen. 26 Ook vleermuizen vormden een eindstation van een transformatie die een menselijk begin had gehad.



afb. 14-1

afb. 14-2

afb. 14-3

afb. 14-4

afb. 14-5































Het feit dat de ‘volledige’ metamorfose pas in een vergevorderd stadium van Vos’ carrière van de grond is gekomen, betekent geenszins dat de metamorfose als verschijnsel in zijn vroege jaren niet voorkwam. Rond 1960 verschenen op papier respectievelijk een man die in een vogel (afb. 14), een man die in een centaur, en een man die in een kever verandert. 27 Het zou kunnen dat Ovidius de tekenaar bij het concipiëren van deze toverij een zetje heeft gegeven, maar Ovidiaans zijn deze metamorfosen niet. De laatstgenoemde transformatie was rechtstreeks afkomstig uit Kafka’s Die Verwandlung (afb. 15). Eraan voorafgegaan was een vignet van een kever die in een luie stoel Kafka zit te lezen (afb. 17). Achteraf lijkt het trouwens ondenkbaar dat dit beroemde boek Vos’ tekengerei niet in beweging zou hebben gebracht. 28
 


afb. 15-1

afb. 15-2

afb. 15-3

afb. 15-4

 

 




















afb. 17
We mogen wel vaststellen dat hele en halve gedaantewisselingen in Vos’ voorstellingswereld tot het einde toe een cruciale rol zijn blijven spelen. Een hoogtepunt uit de sectie persoonlijke mythologie vormt de even schrijnende als superbe cyclus, zestien tekeningen in leporellovorm uit 1976, waarvan het titelblad het woord Depressie draagt (zie TH-Depressie). Het verhaal draait om een metamorfose die eindigt in een verdwijnpunt. Een karakteristiek maar opgewekter specimen wordt belichaamd door een man wiens uit het raam hangende bovenlichaam het aanzien van een vogel kreeg, terwijl binnenshuis de rest van het lichaam stand heeft gehouden. afb. 16X Peter  Vos (1935-2010), Deels man deels vogel, 1972Image fullsize Toon in RKD database 29


afb. 18
Dat zulke fantasieën kijkers vaak prikkelden om tot een eigen interpretatie te komen, is niet verwonderlijk. Door zijn Utrechtse vakgenoot William Kuik werden de mens-dier-combinaties van Vos opgevat als resultaten van een persoonlijk ‘metamorfose-verlangen’, voortkomend uit een ‘bestaanswantrouwen’. Zelf heeft de kunstenaar zijn half uit mens en half uit dier bestaande creaturen wel ‘een soort mythologische emblemen’ genoemd, creaturen die hij aanvaardbaar probeerde te maken door ze te equiperen met een eigen anatomische logica. 30 Natuurgetrouwheid en veranderingen van gedaante stonden bij hem in wisselende verhouding tot elkaar. Zijn enigszins raadselachtige notitie: ‘Goede diertekeningen zijn geslaagde metamorfosen’, bij twee in Artis geportretteerde uilnachtzwaluwen, maakt bovendien duidelijk dat het begrip metamorfose met de nodige plooibaarheid werd gehanteerd (afb. 18). 31
     Hoe men het werk van Peter Vos ook probeert te omschrijven en te interpreteren, er blijft – dat is een van de best bewaarde geheimen van excellente kunst – een onbenoembaar element. Een laatste alinea moet deze zweem van romantische naïveteit kunnen verdragen. Voor wie daar geen genoegen mee wenst te nemen, mag een oud Nederlands spreekwoord uitkomst brengen: ‘Elk gaat nu bij den vos ter school’ – de volgende bladzijden staan daartoe open. 32



afb. 16 Peter  Vos (1935-2010), Deels man deels vogel, 1972

[1]

Cultureel Supplement NRC Handelsblad, 9-10 augustus 2012, p. 3. Bij het overlijden van Vos spraken Woldhek, de tekenaar Peter van Straaten en de Amsterdamse galeriehouder Ton van Dijk soortgelijke woorden in de radio-uitzending Het oog op morgen, 7 november 2010 (‘Hij is werkelijk de meester’). Op 9 november 2010 lieten Van Straaten en Woldhek een overlijdensadvertentie in NRC Handelsblad plaatsen met de woorden ‘Peter Vos. Onze meester is dood’.

[2]

Voor ‘Bildungstrieb’, zie James Engell, The creative imagination. Enlightenment to romanticism, Cambridge, Mass. / Londen 1981, pp. 219-220. Zie over Peters vader, Cornelis Johannes Vos (1891-1955), XXVII, pp. 192-197 en ‘Werk en leven’, pp. 211. Hij is door zijn zoon diverse malen afgebeeld, in verschillende rollen, onder meer als Antonius de heremiet, als Long John Silver uit Robert Louis Stevensons Treasure Island, twee of driemaal als paus (‘Pappa il papa’) en ook als maraboe.

[3]

Zie De Jongh 1995, p. 45. In enkele interviews heeft Vos nog een aantal andere namen genoemd.
 

[4]

In sommige schetsen werden ook kleurpotloden gehanteerd. Vos maakte doorgaans eerst een opzet in potlood, daarna ging hij er met de pen overheen, vlakte vervolgens soms de potloodsporen uit en bracht desgewenst met kleurpotloden felle kleuren aan.

[5]

Leonoor Wagenaar, ‘Peter Vos. Het verdriet kan neerslaan in je tekeningen’, Het Parool, PS, 12 oktober 1991, p. 19. Vos’ kritische opmerking over zijn eigen kruisarceringen (‘kippengaas’) correspondeert zeker niet met het overtuigende gebruik van dit stijlmiddel in zijn Vechtende engelen uit 1962; zie XXV, p. 175.

[6]

Plinius, Naturalis historiae, XXXV, 81-83; en H. van de Waal, ‘The linea summae tenuitatis of Apelles; Pliny’s phrase and its interpreters’, Zeitschrift für Ästhetik und Allgemeine Kunstwissenschaft 12 (1967), pp. 5-32. Bij Vos moet niet aan een dun verfspoor worden gedacht maar vooral aan een dun spoor van grafiet of Oost-Indische inkt.

[7]

Passage uit dagboek, gedateerd 18 januari 1982.

[8]

Vos heeft als vogelaar talloze malen de volières van dierentuinen bezocht en ook ging hij menigmaal het veld in; thuis kon hij een beroep doen op een kast vol vogelboeken. De neerslag van zijn ornithologische kennis is eveneens te vinden in een aantal door hemzelf geïllustreerde boeken, onder meer Peter Vos, Een studie in grijs. Voorlopige balans van drie jaar vogeltekenen, Amsterdam-Antwerpen 1980. Een hoogtepunt vormt een manuscript met  de titel 333 Vogels (in particulier bezit). Zie ook Minouk van der Plas-Haarsma, De huismus. Met tekeningen van Peter Vos, Amsterdam 2009.

[9]

Hollands Maandblad 7, Nummer 221, december 1965, pp. 22-23. Op p. 21 staat een summiere toelichting op de beide tekeningen: ‘Waarde Keu, ziehier twee dansers tot vertroosting voor het lege gevoel in je volière. De een zijn neus is de witte merel uit het rosarium; de ander zijn hart de halve kokosnotendop met universeelvoer. De rest zoek je zelf maar uit’.

[10]

De lappen (misschien zijn het mutsen) zijn uitgestald in een kast, elke lap in een apart compartiment en met een eigen kleur: geelgroen, wit, zwart en rood voor respectievelijk het cholerische, flegmatische, melancholische en sanguinische temperament. Onder alle vier doeken, zo wordt gesuggereerd, gaat een hoofd schuil. Tegen de kast aan staat een persoon zonder hoofd, die genereus in de gelegenheid wordt gesteld zich een temperament aan te meten en dus een karakter. Hoewel dit ongewone aanbod ook een ironische metafoor van de vrije wil zou kunnen worden genoemd. Zie De Jongh 2010, pp. 29-30.

[11]

Vos illustreerde dichtbundels van Leo Vroman, Ed Leeflang en Rudy Kousbroek. Vele tientallen poëziebundels maken deel uit van zijn boekerij die nog geheel intact is.

[12]

Mnemosyse, moeder van de muzen en personificatie van het geheugen.

[13]

Horatius, Verzamelde gedichten, uitgegeven, vertaald en van aantekeningen voorzien door Piet Schrijvers, Groningen 2003, pp. 562-563, vs. 361; en Rensselaer W. Lee, Ut pictura poesis. The humanistic theory of painting, New York 1967.

[14]

Horatius, op. cit., pp. 544-545, vs. 1-5.

[15]

Vos gebruikte een Engelse editie van Ovidius (The Metamorphoses of Ovid, translated by Mary M. Innes, Harmondsworth 1955), zoals blijkt uit de inhoudsopgave van Metamorphosen … voor Saida, vermeld in noot 18, en een Latijnse editie, getuige de citaten die hij toevoegde aan verschillende uitbeeldingen. Welke Latijnse uitgave is niet vast te stellen. De vertaling in het Nederlands van M. d’Hane-Scheltema, Ovidius, Metamorphosen, Amsterdam 1993, was hem eveneens bekend.
 

[16]

Robert Graves, The Greek myths, 2 delen, Harmondsworth 1957. Graves wordt vermeld in de inhoudsopgave van Metamorphosen … voor Saida (zie noot 15 en 19).
 

[17]

Aan het tijdschrift Soma (1971-1972), aflevering 20-21, droeg Vos een reeks tekeningen bij van gekooide monsters en fabeldieren van diverse soort: De Myth of Mythologische tuin, volwassenen dubbelgeld, opgedragen aan Peter van Steen.

[18]

Afgebeeld zijn een volwassen griffioen en een jong, met nog onvolgroeide vleugels. Zie over de biologische logica die Vos op fabeldieren losliet, V, pp. 52-59.

[19]

In de eerste maanden van 2003 kwam in een klein schetsboekje een reeks voorstudies tot stand, geïnspireerd op een dertigtal bij Ovidius beschreven Metamorfosen. Na voltooiing werd het voorzien van de titel Metamorphosen door Peter Vos getekend 1.I.’03 – 27.III.’03 voor Saïda en een inhoudsopgave. Zeven voorstudies uit dit schetsboekje, alsook nog andere uit die periode, werden tussen mei en oktober van dat jaar in een reeks van 28 losse tekeningen in een aantal versies uitgewerkt.

[20]

D. den Hengst, ‘Ovidius ludens. De geestigheid van Ovidius’, Lampas. Tijdschrift voor Nederlandse classici 21 (1988), pp. 346-360.

[21]

De Jongh 1995, pp. 47-48.

[22]

Joop van Tijn, ‘Peter Vos: “Je moet argeloos door de wereld kunnen lopen”’, Vrij Nederland, 9 september 1995

[23]

Zie voor Ovidius-voorstellingen in de beeldende kunst: M.D. Henkel, ‘Nederlandsche Ovidius-Illustraties van de 15e tot de 18e eeuw’, Oud-Holland 39 (1921), pp. 149-187; idem, ‘Illustrierte Ausgaben von Ovids Metamorphosen im XV., XVI. und XVII. Jahrhundert’, in: Vorträge der Bibliothek Warburg, 1926-1927, Leipzig-Berlijn 1930, pp. 58-144; en Eric Jan Sluijter, De ‘heydense fabulen’ in de schilderkunst van de Gouden Eeuw. Schilderijen met verhalende onderwerpen uit de klassieke mythologie in de Noordelijke Nederlanden, circa 1590-1670, Leiden 2000. Ovidius’ Metamorfosen lokte in de Middeleeuwen kritiek uit, maar zijn reputatie als ‘prediker van onkuisheid’ en ‘leraar van de immoraliteit’ was vooral ook gegrond op zijn Ars amatoria. Zie Á. P. Orbán, ‘Ovidius in de Latijnse Middeleeuwen. Leraar van de immoraliteit en heilige’, Madoc. Tijdschrift over de Middeleeuwen 18 (2004), pp. 158-176, i.h.b. 158, 171, 173-174. Over de Ovide moralisé, zie Jean Seznec, The survival of the pagan gods. The mythological tradition and its place in Renaissance humanism and art, Princeton, N.J. 1972, pp. 91-95, 174-179, 274-275.
 

[24]

Petrus Berchorius, Reductorium morale, liber xv. Ovidius moralizatus, naar de Parijse druk van 1509 (red. J. Engels), 2 delen, Utrecht 1960-1962; zie ook het hoofdstuk over Berchorius’ verhandeling in: J.D.P. Warners en L. Ph. Rank, Bacchus. Zijn leven verteld en verklaard door dichters, mythologen en geleerden, deel 1, Amsterdam 1968, pp. 56-77.

[25]

Joost van den Vondel,  De Werken, WB-uitgave, deel 7, Amsterdam 1934, pp. 386-393.

[26]

Vos behoorde dus niet tot de soort kunstenaars waarover de kunsttheoreticus Gerard de Lairesse al drie eeuwen geleden zijn staf brak, oordelend ‘dat ‘er veele zyn, die de Fabelen van Ovidius van buiten kennen […] maar van binnen zeer weinig. ’t Is meest uit de Printboeken, en niet in de Grondtext, dat men tegenwoordig zoekt.’ Zie Het groot schilderboek, deel 1, Amsterdam 1707, p. 124.

[27]

Hollands weekblad, 3 februari 1960, 30 maart 1960, 6 april 1961, en 7 november 1962. Zie ook II, pp. 32-35.

[28]

Voor de periodiek Ruimte tekende Vos momenten uit Die Verwandlung al in september 1958. Over Kafka’s kever, zie Piet Meeuse, De jacht op Proteus. Essays, Amsterdam 1992, pp. 226-228. Over metamorfosen bij verschillende andere schrijvers, onder wie Elias Canetti (Masse und Macht), zie Meeuse, pp. 157-226 en 229-283.

[29]

Hollands maandblad, Nummer 293 (1972), p. 22. Op dezelfde pagina een tekening van een  staande man wiens naar buiten gestoken bovenlichaam veranderd is in de voorkant van een hert, terwijl de rest van zijn lijf, binnenshuis gebleven, nog geheel menselijk is.

[30]

Williams Kuiks typering komt ter sprake in Ben Haveman, ‘De beestenbende van Peter Vos’, de Volkskrant, 9 september 1995, de omschrijving ‘mythologische emblemen’ in Henriëtte Theunissen, ‘Peter Vos. Ik benijd de vogels’, Eva, mei 1967.
 

[31]

In een van zijn vele schetsboeken, pagina gedateerd 5 oktober 1981. Uilnachtzwaluwen eveneens in Vos 1980, pp. 104-107.
 

[32]

Zie P.J. Harrebomée. Spreekwoordenboek der Nederlandsche Taal, 3 delen, Utrecht 1856-1870, deel 2, p. 256.

Datum laatste wijziging: Feb 11, 2017 12:22 PM